Kalender - algemeen
|
|
Een lange brief van bij mij thuis
“Jij voelt je hier goed, hè?” Het was de even simpele als rake opmerking die mijn BZB-collega Els Theunis mij toespeelde, ergens aan het einde van de waanzinnige tiendaagse rit die Theater aan Zee heet. Ik voelde mij een beetje betrapt, eerlijk gezegd. Waarschijnlijk omdat ik niet geboekt sta als ‘iemand die zich goed voelt’, laat staan als een ‘tevreden’ mens of, erger nog, als iemand die ‘geniet’.
De curator mogen uithangen heeft in die zin heel erg geholpen. En zeker omdat we die titel deelden met heel het gezelschap. Geen probleem om - wanneer nodig - even onder te duiken. Maar tegelijk genoeg spontane aandacht en tal van evenementen om zelfs een veeleer verlegen mens als ik uit zijn kot te lokken.
De eerste paar dagen waren wennen nochtans. Geen zin om naar voorstellingen te gaan kijken wegens knoop in de maag. Onze openingsvoorstelling Hebzucht gemist, (wel erg fijn om de opluchting van Stijn gezien, voor wie de kop er echt af was nadien) en De Grote Mond ook. Zonde natuurlijk…
Het optreden van De Kift bood soelaas. Sterker nog. Binnen mijn beleving zette het de toon voor alles wat nog komen zou. Symbolisch? Zanger Ferry Heyne, die, binnen mijn herinnering, zowat het hele optreden lang met zijn armen wijdopen heeft gestaan. Als in één langgerekte omhelzing. Behalve als hij gitaar speelde dan. Al deed hij dat op exact dezelfde wijze: wijdopen.
Thé Lau, enige dagen later, heb ik niet bezig gezien. Ik moest zelf spelen. Wel iemand die hem bijzonder goed citeerde tijdens de Speakers’ Corner: “Open moet het zijn”. Een citaat uit dat liedje over die lafaard die nooit iets krijgt… Het deed me denken aan een oud decoridee voor Dwaallicht, dat helaas iets te duur uitviel. Een achterwand opgetrokken uit ‘OPEN’-bordjes zoals je die – zonder uitzondering – ziet aan de vitrines van nachtwinkels en andere als verderfelijk beschouwde ettablissementen. En aan de slotzinnen uit mijn TAZ-inleiding over ‘een bar die openblijft’.
Ik heb ze vaak gezien, die bar. Heb behoorlijk wat glazen gehesen. Hell yeah! Ik heb er zelfs de titel van ‘nachtburgemeester’ aan overgehouden. Een titel die ik officiëel naar Koen Van Kaam heb doorgeschoven (nochtans de nuchterheid zelve, zelfs na een succesvolle Macbethvoorstelling voor zevenhonderd (!) toeschouwers), maar die het brave gezinshoofd uit Berchem dat ik doordeweeks ben, officieus toch enigszins koester.
Het was diezelfde Koen Van Kaam die mij de avond voordien aan Stijn Dierckx had voorgesteld. Die had er, net als ik, net Gevoelige Mensen opzitten. Een voorstelling die hem veel had gedaan. We praatten erover. Lange tijd. En de bespreking die niet veel later in De Morgen verscheen, is daar voor mij een blijvende herinnering aan. Mogelijk wordt het zijn laatste recensie ooit. Iets wat allicht spijtiger is voor mijn carrière als gemankeerd theatermaker als voor de zijne als journalist annex beeldend kunstenaar. Wat het ook wordt, het ga je goed, Stijn!
Diezelfde avond trouwens wederkennisgemaakt met Wannes Capelle. Ook een goed mens voorwaar. En met TAZ-barman K. De man bij wie ik het gros van mijn bestellingen plaatste omdat hij zulk een vriendelijke ogen had. Hij bleek het ook echt te zijn. Vriendelijk. En in het dagelijks leven een beetje op de dool. In het dagelijks leven. Niet op TAZ! Want daar bleek alles allemaal even heel duidelijk. Samen knokken voor het best mogelijke festival. Of je nu barman bent of artistiek leider, lid van de keukenploeg of assistent bij Jong Werk.
Dat vooral heb ik op TAZ ervaren naarmate de dagen vorderden en mijn integratie in ‘het grotere geheel’ van het festival meer en meer een feit werd. Het gros van de medewerkers zijn vrijwilligers. Maar allemaal hebben ze een verhaal dat hun trouw aan het festival meer dan verklaart. Ik heb er ook enige intussen: TAZ-verhalen. En daar ben ik Luc Muylaert en zijn ploeg heel erg dankbaar voor.
Adriaan Van Aken, namens BZB.
(Note to self: in aflevering twee van dit artikeltje moet ik het zéker nog hebben over mijn ontmoeting met Jan en Kevin van Radio TAZ, over het wonderlijke welslagen van de Speakers’ Corner (waar ik vooraf nogal mijn twijfels bij had), over de ellenlange staande ovatie bij Hitler is dood, over hoe vijftigplussers Gevoelige Mensen doorgaans ervaren, over waarom onze Eefje moeiteloos de prijs van ‘Meest sexy zakelijk leidster’ in de wacht sleepte, over de kleine oogjes van de Sanne na het slotfeest in Club Terminus (inclusief beeldmateriaal!), over waarom Youri Van Uffelen een verdiende winnaar is van onze Wisseltrofee Gène Bervoets, over De Gouden Plak die BZB van De Standaard kreeg voor zijn curatorschap, over hoe die prijs niet opweegt tegen de Prijs voor Beste Curator 2012 van Radio TAZ, over de receptie van Lied, Minstegeringste en Naast (Hinterland) bij pers en publiek, over de cijfers van TAZ (die relatief rooskleurig zijn ondanks de crisistijden), over fantastische gastvoorstellingen genre “It’s going to get worse…” en “Berckmans”, over de terechte winnaars van Jong Theater en Jong Muziek, over hoe de ‘verliezers’ niet hoeven te wanhopen, over alle consternatie rond No Time for Art (de voorstelling die nochtans het meest bij ons nazindert), over de fijne bespreking van Weer over naar jou in de Tazette, over de Tazette in het algemeen, over wat de mensen in het Familiepark weer eens hebben neergezet, over de kracht van de Autorenbaan, over Tartaren en Figuranten, over waarom zowel onze Hebzucht (*****) als Bang van MartHa!tentatief straks op het Theaterfestival hadden moeten staan, over mijn lief die elke ochtend opstond voor de kinderen zodat ik iets van mijn roes kon uitslapen, over de grote publieksopkomst bij dingen waarvoor vooraf amper kaarten waren verkocht, over die paar dingen die beter konden, over de toekomst van BZB op Theater aan Zee, over het verschil tussen heimwee en fernweh, over de verbouwing die ik aanstonds ga aanvatten (om te bewijzen dat ik een echte dertiger ben), over het gesprek met Annelies Verbeke over kind-zijn-van-gescheiden-ouders waarvan ene Steven een grage getuige was, over heerlijke mensen die ik alleen maar op TAZ tegen het lijf schijn te lopen (genre Marijs Boulogne), over roken en drinken, over politiek, over meer quality time met de kinderen, over barverantwoordelijke Tony die doorheen de week les blijkt te geven in het Bijzonder Onderwijs in Buggenhout, over Hector Van den Eede (RIP!) uit Malderen, die niet zo gek lang geleden het leven schonk aan Peter Van den Eede die vervolgens het leven schonk aan Ans en Louise Van het Hof Van Eede, en die de man was achter het enige gedicht dat mijn vader (Lode Van Aken uit Malderen) tot op Heden nog steeds rats van buiten kent en dat als volgt begint:
“Na iedere reis keer ik tot u terug.
Mij lavend als een zwerver aan uw weelde.”
(Uit: ‘Mijn dorp’, door Hector Van den Eede)
Tot gauw, pakweg in Oostende!)








