Kalender - algemeenEr staan op dit ogenblik geen voorstellingen van deze productie (meer) in de kalender. |
|
Open brief van Stijn Devillé over Hebzucht in de pers
De publieksreacties op Hebzucht zijn zoals je hoopt dat ze zijn. Fel! En een geweldig hoog percentage van de tijd gaan ze over de inhoud. Goed is dat. De recensies zijn ook niet slecht, maar opvallend weinig uitgesproken. Wel waar ze kostuums, decor en andere bijzaken aangaan, maar heel weinig over de impact op de mensen in de zaal. Auteur en regisseur Stijn Devillé schreef een open brief aan Els Van Steenberghe en een aantal van haar collega's met de vraag om toelichting. De recensies in kwestie vind je onderaan links op deze pagina onder IN DE PERS. De open brief lees je hieronder. Reageren doe je via de button REAGEER.
OPEN BRIEF AAN ELS VAN STEENBERGHE (EN HAAR COLLEGA-RECENSENTEN EVELYNE COUSSENS, ROELAND DE TRAZEGNIES, WOUTER HILLAERT, AN MELIS...)
Dag beste Els,
Het is niet mijn gewoonte om met recensenten te communiceren over de recensies die ze schrijven, en al zeker niet als de stukken in kwestie over mij gaan. Nog minder voel ik die neiging als de stukken over mij gaan en ze bovendien grotendeels positief zijn. Dat is wat bij Hebzucht is gebeurd, overal keurig gerecenseerd, met hier en daar een bedenking over de tijdsduur of de kleur van de kostuums. Ook gelijklopend in alle recensies is de beeldspraak van de geheven vinger of de opgestoken middenvinger. Er wordt gesproken over woede en verontwaardiging.
Maar de waarheid is: ik ben niet verontwaardigd of woedend. Dat is niet mijn drijfveer bij het maken van theater. Mijn drijfveer is verwondering. Proberen te begrijpen wat er gaande is, of wat er is gebeurd. I write to find out about things, schreef Rebecca West. En dat is een motto waar ik al jaren naar leef. Je verwees er zelf onlangs nog naar, in een ander artikel in Knack Focus, over de drijfveren van theatermakers.
Ik ben wel teleurgesteld in de recensies. En daarom schrijf ik dus deze brief (aan jou, maar eigenlijk ook aan al je collega’s, of ze nu schreven over Hebzucht of niet). Ik ben teleurgesteld omdat de recensies gaan over een toneeltje. Over een toneeltje met een decor. Over een toneeltje met een decor en kostuums. Over een toneeltje met een plotje. En natuurlijk is de voorstelling dat ook. Maar niet alleen dat.
Ik ben teleurgesteld omdat de recensies niet gaan over wat de voorstelling doet met jou als publiek, met het publiek dat om je heen zat. Omdat ze niet gaan over de positie die ik als maker heb ingenomen. Omdat ze niet gaan over de vraag hoe het theater zich vandaag kan en mag positioneren. Omdat ze niet gaan over waar de voorstelling over gaat. Recensies zijn al zo kort. Waarom gaan dan zoveel tekens over bijzaken? Ik vind het allemaal zo futiel.
Ik gebruik de plot als een glijmiddel om het over een maatschappelijk fenomeen te hebben. Toch gaat het in elke recensie grotendeels over het plotje, alle personages worden telkens met naam en toenaam vermeld. Maar over het maatschappelijk fenomeen en over de impact van het getoonde op het publiek, gaat het hooguit in de slotzin.
Toch is die impact er wel degelijk. Wij zijn als gezelschap nog nooit zo vaak door ons publiek aangesproken, gemaild, gefacebookt, gelinkedind, getwitterd na de voorstelling als bij Hebzucht. Ook niet bij Hitler is dood. Of bij Dwaallicht. Of Adem. Hoewel dat alledrie – elk op hun manier – voorstellingen waren die iets teweeg brachten bij de toeschouwer. Voorstellingen waar mensen door begonnen te twijfelen, of blij werden, of ontroerd. Bij Hebzucht raken we een andere gevoelige snaar. Brengen we blijkbaar een nog krachtiger emotie teweeg. Kwaadheid. Verontwaardiging. Iets teweeg brengen. Dat wil toch elke theatermaker. En bij de reacties uit het publiek zit er niet één over het plotje.
Maar het punt is: dat we die emotie teweeg brengen, en niet dat we ze zelf invullen. Dat is les één op de toneelschool. Als je zelf vertwijfeld bent, zal je publiek het niet meer zijn. Als je zelf blij of verdrietig bent, hoeft je publiek dat al niet meer te zijn. Leg de emotie dus niet bij jezelf, maar bij je publiek. Daarom vind ik het vreemd dat bijna alle recensies spreken over de woede van de makers, en niet over die van het publiek. Hebben jullie als recensenten zelf die woede of verontwaardiging bij het publiek niet gevoeld of gedeeld? Of toch? En vinden jullie het net daarom belerend? Hoe zit dat precies?
In onze nieuwe jaarbrochure schrijft Adriaan Van Aken. “Met Hebzucht maakte Stijn Devillé een leerstuk over de crisis. Een ‘leerstuk’. U hoort het goed. Dat moet geleden zijn van die vorige crisisjaren: de vroege jaren ’70. Waren wij toen al geboren eigenlijk? Het bracht recensenten en andere theaterwetenschappers aardig in de war. Zeker als hij op het einde ook nog met iets komt aanzetten dat wel heel sterk op ‘een moraal’ gelijkt. Nochtans is het zoiets waar we aan toe lijken te zijn. Een nieuwe moraal. Een moraal voor de eenentwintigste eeuw. En dan heb ik het niet over een dwingende moraal van waarden en normen. Dat is net het oude verhaal. Dat aan vervanging toe is. Zoals Hebzucht natuurlijk geen moralistisch leerstuk is van scanderen van leuzes en zwaaien met de vlag, maar een tragedie voor de eenentwintigste eeuw. Een tragedie die niet langer tragisch is voor de veroorzakers van de tragiek (die zijn er met de centen vandoor naar betere oorden), maar voor al wie stilzwijgend achterblijft en de gevolgen mag dragen.” (einde citaat).
Alleen recensente An Melis schrijft op theatermaggezien.be: “De echte verliezers, dat zijn wij. De mensen in de zaal. De nú wetenden. Het zwijgend koor. Wij hebben ons geld verloren aan hún constructies, want wij hadden die kleine lettertjes bij onze beleggingsboosters niet gelezen.”
Hoe vaak komt het voor dat makers én publiek in gelijke mate getroffen worden door een maatschappelijk fenomeen als deze crisis? Dat je met pakweg 300 levende mensen samen in één zaal zit en het dus kunt hebben over iets wat al die mensen samen aanbelangt? En dat dat dus iets is, wat het waard is om over geschreven te worden. Meer waard in elk geval, dan de kleur van de kostuums.
Waarom doet een theatermaker dat? Schrijven over wat er hier en nu gebeurt. En mag dat? En waarom doen zo weinig theatermakers het? En waarom schijnt hij de ene keer genuanceerder te zijn dan de andere keer? Is daar een reden voor? En levert het iets op? Levert het goed theater op? Levert het bij het publiek iets op?
Is het dan de facto moralistisch? Is het moralistischer dan de premier die hebzucht veroordeelt? Is het moralistischer dan de krant die de hebzucht van de bankiers veroordeelt? Is het moralistischer dan de rechter die de Fortis-bonzen veroordeelt?
Mag theater moralistisch zijn? En de krant? En de premier? En het gerecht?
Voor mij is het theater een plek om stil te staan. Om collectief na te denken. Het woord te nemen. Iets over de maatschappij, over de wereld te zeggen. Hier en nu. Te midden van mensen die ook hier en nu leven. In een artikeltje in De Standaard ergens eind augustus vorig jaar, schrijft Wouter Hillaert dat de theatersector alleen van zich laat horen als het om zijn eigen centen gaat, maar dat de sector verder nooit stelling neemt. Met mijn werk probeer ik dat wel te doen. En aan het eind van onze eerste speelreeks dit voorjaar hebben we dus met 5000 mensen 2 uur lang over het ontstaan van de crisis nagedacht. Dat zijn 10.000 manuren. Tweehonderdvijftig voltijdse werkweken. Ruim vijf jaar aan gedachten dus. Dat kan tellen.
Hebzucht. De titel is al niet mis te verstaan en ongenuanceerd. Een krachtterm, eigenlijk. Waar ik zelf lang mee verveeld heb gezeten, eerlijk gezegd. Ik kom er straks nog op terug. In ons programmablaadje, op onze website en in de persmap noemen we de voorstelling zelf een moralistisch leerstuk met defaitistische muziek. Dat is natuurlijk een beetje badinerend. Maar tegelijk is het ook precies wat het is.
In Hebzucht heb ik geprobeerd de inhoudelijke positie in de vorm door te trekken. Zodat die vorm dwingt tot luisteren. Heb ik de beeldtaal (het knippen, wiegen, wippen, springen, vallen, kloppen, stampen, rennen) losgekoppeld van de tekst. En kan de positie van de personages ten opzichte van elkaar afgemeten worden aan het aantal micro’s dat hen scheidt. Zodat ‘beeld’ verder overbodig wordt. En we dus letterlijk ‘het woord nemen’. En die eeuwige staande microfoons hier dan gaan werken als een vrije tribune. Als een megafoon.
De acteurs spelen daarom ook niet alleen via het publiek (stijl Vaneigens in Man bijt hond, waarbij je de acteur die naast je staat niet aankijkt, maar via het publiek c.q. de camera tot hem spreekt), maar spreken deze keer ook écht het publiek aan (stijl terzijde zoals bij Molière of Shakespeare) en dat doen we quasi 50% van de tijd. ‘Uitleg’ (not done in het theater) laten we het gros zijn van de dialoog. En de plot leggen we meermaals 4 minuten stil voor de interventies van het Kind of voor de muziek. De snelheid of de duur van de voorstelling is dus niet onze hoofdzorg. En die muzikale of kinderlijke interventies brengen ook mededogen met zich mee, voor het publiek én voor de personages. De plot is dus niet de kern van de mededeling. Via de plot proberen we iets anders te vertellen. Heel brechtiaans allemaal eigenlijk. Terwijl Brecht intussen nu toch alweer 66 jaar dood is.
Daar had ik op gehoopt. Op een debat over of het geoorloofd is het theater in te zetten als maatschappelijke tribune. Of dat misschien zelfs wenselijk is, dat het theater zich inschrijft in een maatschappelijk debat? Met de twee voeten midden in de tijd gaat staan? Of dat een tendens is? Of dat het net uniek is? Of het passé is? Of net heel erg nodig? Of het interessant is of niet als iemand die oude truken van die oude Bertolt weer bovenhaalt. Of het krachtiger is als die positie onverzettelijk wordt ingenomen? Zwart-wit? Of net als er meer zou worden genuanceerd? Of het überhaupt zinvol is voor deze inhoud het theater als vorm te kiezen? Of de plot daarbij een dienstbaar glijmiddel is? Of net een belemmering?
En daarna eventueel of het ook nog een goed toneeltje was. Want natuurlijk mag je me ook daarop afrekenen.
Je collega Evelyne Coussens schrijft in De Morgen: “Theater maken over actuele geschiedenis is tricky. Het gebrek aan reflectie (door gebrek aan afstand in tijd) laat zich in Hebzucht voelen door een voor Braakland atypisch zwart-witoordeel. Waar Hitler is dood er zestig jaar na de feiten in slaagt om je blik over de nazimisdadigers te doen wankelen, bevestigt Hebzucht hartstochtelijk een gemeenplaats: dat bankiers schurken zijn. De voorstelling is een geheven wijsvinger en opgestoken middenvinger tegelijk: zo direct in haar verontwaardiging, dat ze een moreel exempel wordt.”
Eindelijk een paar zinnen over de inhoud dus. Maar had ik dan moeten ontkennen of nuanceren dat topbankiers als Pollard, Lallemand en Jacobs uit Hebzucht ons tot op vandaag bestelen en beliegen? Zou dat beter theater hebben opgeleverd? Zou dat een bijdrage hebben geleverd aan het maatschappelijke debat? In de voorstelling leg ik hun handelen en drijfveren bloot. Toon ik de context. Probeer ik zo min mogelijk te oordelen eigenlijk (lees de tekst er maar op na). Probeer ik het te begrijpen. En ik zie en ik snap wat ze doen. Maar ik begrijp het niet. Net zoals ik in Hitler is dood de context en het handelen toon. Maar de daden niet kan begrijpen.
Want na ruim een jaar bronnenonderzoek, na vele gesprekken met mensen uit de financiële sector (ook nu, tijdens de tournee), blijkt het allemaal te kloppen. Blijkt de titel gewoon de juiste te zijn. Worden de hoofdrolspelers in de echte wereld voor de rechtbank veroordeeld voor feiten die in onze voorstelling aan bod komen. En misschien is dat wat zo schrikwekkend is: dat het wààr is.
En misschien is de waarheid moralistisch. En komt ze wat traag op gang. Misschien duurt ze ook wat te lang. En is ze een gemeenplaats. Maar ze is wel waar. En ze is het ook waard om over geschreven te worden. In Knack. In de krant. En in het theater.
Beste Els, beste Evelyne, Wouter, Roeland, An: dit moest ik even kwijt. Misschien levert het iets op. Een gesprek. Een debatje. Iets. Ik hoop het.
Hartelijk. En tot gauw.
Stijn Devillé.








